VLEESETENDE PLANTEN
In de zomer van 1860 verblijft Darwin met zijn gezin in Hartfield, woonplaats van Emma’s zuster Charlotte. Zijn dochter Etty (Henrietta) leed al vanaf mei waarschijnlijk aan tyfus en in Hartfield zou de kans op herstel groter zijn. Op zijn wandelingen over de heide stuit Darwin op groeiplaatsen van de ronde zonnedauw, Drosera rotundifolia. Hij neemt een aantal planten mee en ziet dat aan de bladeren insecten of resten ervan vastkleven. Alhoewel hij eigenlijk werkte aan orchideeën wordt hij door dit bijzondere gedrag van de planten gegrepen. Experimenten ermee verzetten zijn ongeruste gedachten.
Zijn vrouw Emma schrijft in een brief van 28 augustus aan lady Lyell: Charles geeft zich te veel over aan bezorgdheid, zoals u weet, en zijn verschillende experimenten deze zomer zijn een grote zegen voor hem geweest omdat hij zich er altijd in kan verdiepen. Op dit moment behandelt hij Drosera als een levend wezen en ik veronderstel dat hij hoopt te bewijzen dat het een dier is.
De de experimenten met Drosera hebben hem veel afleiding bezorgd. In een brief aan Asa Gray schrijft hij op 26 september: Ik heb me eindeloos vermaakt met het werken aan Drosera: de bewegingen zijn werkelijk merkwaardig en de manier waarop de bladeren bepaalde stikstofverbindingen detecteren is wonderbaarlijk. Je zult erom lachen, maar ik ben er op dit moment (na eindeloos experimenteren) volledig van overtuigd dat ze 0,005 mg ammoniumnitraat detecteren en daardoor bewegen. (…) Ik begon dit werk aan Drosera om licht te werpen op de geleidelijke overgang naar Dionaea.
In 1861 en 1862 doet hij enkele experimenten met sleutelbloemen en steenbreek om het effect van toediening van verschillende stoffen op de haren te vergelijken met die van zonnedauw. In februari 1861 houdt hij een lezing bij de Philosophical Club of the Royal Society over de gevoeligheid van Drosera voor stikstofhoudende stoffen.
Pas in 1871, negen jaar later, pakt hij het onderzoek aan vleesetende planten weer op. Er volgen drie jaar van uitgebreid onderzoek naar vloeistoffen en substanties die de zonnedauwplant al dan niet aanzetten om haar tentakels en bladschijf om te krullen en verteringssap af te scheiden. De lijst van geteste stoffen is bijna eindeloos: 51 verschillende zouten, 24 zuren, speeksel, slijm, urine, nagel, haar, hout, kurk, glas, cobra- en addergif, eiwit, de hele medicijnkast, alles wat hij maar kon bedenken wordt uitgeprobeerd.
Het leeuwendeel van het voorliggende boek gaat over het onderzoek aan zonnedauw. De meeste kenmerkende eigenschappen van vleesetende planten heeft Darwin door de talloze experimenten bij deze soort ontdekt. Zoals hij zelf schrijft ‘zijn de experimenten die bewijzen dat de bladeren in staat zijn tot echte vertering en dat de klieren de verteerde materie absorberen misschien wel de meest interessante van al mijn waarnemingen aan Drosera, aangezien het tot nu toe niet duidelijk bekend was dat zo’n vermogen in het plantenrijk bestond’. En dat een plant iets bezit dat hij alleen maar ‘nervous matter’ kon noemen, overeenkomend met de zenuwen van dieren, was ook een van Darwins unieke ontdekkingen. Daarnaast vond hij dat het kliervocht antiseptische werking heeft, een al bij natuurvolken bestaande kennis die ze toepasten bij de behandeling van wonden.
Zijn bevindingen aan Zonnedauw worden getoetst aan andere vleesetende soorten uit de hele wereld. Hij beschrijft vijf soorten vangstmechanismen bij de vleesetende planten, die ook alle vijf in dit boek aan de orde komen. Het zijn de kleefval (zonnedauw, vetblad), klapval (venusvliegenvanger), zuigval (blaasjeskruid), palingval (Genlisea) en valkuilval (bekerplanten).
April 1874 begint hij met schrijven en zet dat de rest van het jaar voort, met aanvullend nog enkele experimenten. Eind maart 1875 is het manuscript af en in juni corrigeert hij de drukproeven.
Juli 1875 wordt Insectivorous Plants gepubliceerd.
In een bijlage in deze vertaling worden een aantal van de chemische termen, dier- en plantennamen in de tekst kort verklaard.
